Hokjes, labels en stempels

Op een druilerige dinsdagmiddag zitten Adam* en zijn vader tegenover mij aan tafel. Adam zit in groep 7 van een nabijgelegen basisschool en komt voor de afspraak van het Preventief Gezondheidsonderzoek. We praten al wat langer met elkaar als zijn vader vertelt dat Adam sinds twee jaar de diagnose Klassiek Autisme heeft. Nadat ik met zijn vader hierover ben uitgepraat, richt ik mijn aandacht op Adam: “Hoe vind jij het dat je de diagnose Klassiek Autisme hebt?”. We hebben kort oogcontact. “Heel fijn”, zegt Adam. Hij draait zijn hoofd naar zijn vader en vervolgt: “Maar ik had liever gehad dat ik het eerder had geweten.” Zijn vader lijkt verast en vraagt naar de reden. Adam vertelt dat hij wel doorhad dat hij gewoon anders was. Even is het stil in de spreekkamer. Dan haalt Adam zijn schouders op en zegt: “Het was gewoon fijner geweest.”

Ik dacht lang na over die ene zin: ‘het was gewoon fijner geweest’. Het lukt Adam (nog) niet om zijn gevoel te verwoorden. Ik heb een vermoeden wat Adam met deze zin bedoelt. Ik ben blij met Adams komst, want naast dat het een mooie ontmoeting was, staat het schrijven over dit onderwerp al heel lang op mijn verlanglijstje.

Meten met verschillende maten
Als het om de geestelijke gezondheidszorg gaat, is de visie van (huidig) politiek Nederland: zolang er geen ‘problemen’ zijn, doen we niets. De signalen van een geestelijke aandoening kunnen dan wel duidelijk zijn, maar zolang er geen problemen door ontstaan, wordt er niets gedaan. Deze visie zou wel eens uit een rechts georiënteerde politieke hoek kunnen komen. Ik vermoed dat ‘bezuinigingen’ de voornaamste reden zijn.

Ik schrijf bewust ‘geestelijke aandoening’, want in de algemene gezondheidszorg gaat het er heel anders aan toe. Waar er volop tijd, aandacht en geld is voor de signalen van bijvoorbeeld huid- of borstkanker (wanneer er dus nog geen sprake is van pijn), moet een kind met signalen uit het Autistisch Spectrum wachten tot hij of zij echt tegen ‘problemen’ aanloopt. Of nee, niet het kind, maar tot de leerkracht tegen problemen aanloopt door het gedrag van het kind in de klas.

Allergisch voor diagnoses
Hulp- en zorgverlenend Nederland is aan de slag gegaan met deze visie en heeft zich de nieuwe werkwijze al goed eigen gemaakt. Bij hulp- en zorgverleners zie ik een soort allergische reactie ontstaan wanneer er wordt gesproken over het stellen van psychische diagnoses.
Tijdens gesprekken met professionals hoor ik vaak “als het kind problemen ervaart, gaan we niet meteen onderzoek doen om een diagnose te stellen” (ook al hebben professionals dus wel vermoedens). “We moeten kijken wat het kind nodig heeft om goed te functioneren.” Want, zo klinkt het argument, ‘een kind is niet altijd geholpen met een diagnose’. Dat klinkt alsof er in het belang van het kind wordt gedacht, maar is dit echt een betere manier of eigenlijk gewoon een goedkopere?

Een ander argument is dat een kind last kan hebben van zo’n label of stempel. Misschien is het goed om kritisch te kijken of deze bewering klopt. Opvallend vind ik dat ik deze uitspraak vooral van hulp- en zorgverleners hoor. De eerste ervaringsdeskundige die dit label als een last ervaart, heb ik nog niet ontmoet. Van mensen die op latere leeftijd een psychische diagnose krijgen, hoor ik vaak: ‘Had ik het maar eerder geweten’. Adam zei in mijn spreekkamer precies hetzelfde.

Natuurlijk kun je je afvragen of een diagnose altijd helpend is. Als we in een maatschappij leefden waarin iedereen elkaar zou accepteren en zou aansluiten bij de ander, dan zou dat zeker een optie kunnen zijn. Ik ervaar dat wij niet in zo’n maatschappij leven. De omgeving heeft diagnoses nodig, moet weten wat de ander heeft, voordat ze hem of haar volledig kunnen accepteren. En dat voelen de mensen om wie het gaat, jong of oud, als geen ander. Mensen zoals Adam.

In de praktijk
Ik ben me ervan bewust dat bovenstaande behoorlijk abstract klinkt. Hoe ziet dit verhaal eruit in de praktijk?
Een zesjarige jongen laat kenmerken zien uit het Autistisch Spectrum (dit was al gesignaleerd op de peuterspeelzaal). In groep 2 van de basisschool kan hij goed meekomen, hij vertoont geen leer- of gedragsproblemen. De school ziet dus geen reden om hulp in te schakelen, want er is ‘geen hulpvraag’.
De jongen vertoont thuis wel problematisch gedrag, want anders dan zijn leeftijdsgenoten durft hij niet te zwemmen en iedere nacht kruipt hij bij zijn ouders in bed. Hij heeft moeite om zindelijk te worden in de nacht. Hij heeft driftbuien. Het gedrag drijft zijn ouders tot wanhoop en slapeloze nachten. Het geduld van zijn ouders vermindert. Ze dringen aan op zwemles, want alle kinderen van deze leeftijd hebben zwemles.
Als de ouders dit niet bespreken met school, is de school niet op de hoogte van zo’n thuissituatie. En als de ouders wel iets delen, is de school terughoudend met het ondernemen van actie. Op school zijn er immers geen problemen, dus waarom geld uitgeven als het niet nodig is?

Maar is het echt niet nodig? En voor wie dan niet? Niet voor het kind of niet voor de school? Hoe zou deze jongen zich voelen als zijn ouders weten wat er met hem aan de hand is? Hoe zou hij zich voelen als hij wordt begrepen? Hoe zou het met hem gaan als zijn ouders hem milder en met meer geduld zouden benaderen? Wat zou dat doen met zijn prestaties op school?

Survival of the fittest
Misschien komt er nog een vrijblijvend advies vanuit school om naar een sociale werker te gaan. Sommige ouders pakken dit op, andere ouders niet. ‘Verantwoordelijkheid van de ouders’, wordt gezegd. Is deze eigen verantwoordelijkheid reëel? De ene ouder vindt nu eenmaal makkelijker de weg, voor de andere ouder is het hulpverleningssysteem een oerwoud waarin ze verdwalen en met een beetje geluk ergens onder aan de wachtlijst eindigen. Of ze ondernemen uit angst of onwetendheid helemaal geen actie.

Hoe ouder het kind, hoe meer hij doorheeft dat hij anders is dan anderen. Hij laat steeds meer gedragsproblemen zien en thuis loopt het uit de hand. Ook op school is zijn gedrag nu moeilijker. De leerkracht heeft de grenzen van zijn of haar kunnen bereikt en trekt aan de bel. En ja, als de leerkracht het aangeeft, komt er actie.

De actie komt soms in de vorm van onderzoeken, waaruit een diagnose volgt en hulpverlening eindelijk op gang komt. Soms wordt de hulpverlening langdurig ingezet, omdat er zo laat actie is ondernomen.
Een ander scenario is dat er niet eens onderzoeken worden gedaan en geen diagnose wordt gesteld. Sociale werkers gaan af op hun algemene kennis en deskundigheid (die meestal tekort schiet) en helpen de jongen en zijn ouders in de opvoeding. Dweilen met de kraan open.

We maken de balans op. Is het kind geholpen met deze werkwijze? En, zouden we onder aan de streep nu goedkoper uit zijn? Kop jij ‘m in?

 

 

*Adam is een gefingeerde naam

Beste extraverte persoonlijkheid,

Zolang ik me kan herinneren leven we naast elkaar. Soms gaat dit goed, soms wat minder. We hebben onze ups en downs. Opvallend is dat we niet met elkaar praten over onze persoonlijkheid, over onze verschillen en hoe we op elkaar reageren – laat staan hoe we van elkaar (kunnen) leren. Ik vind het tijd worden om dat wel te doen.

Over jou is al veel bekend. De maatschappij leek lange tijd te draaien op jouw persoonlijkheid. Jij bent ‘de normale’. Hoe ik je zou omschrijven? Jij bent erg sociaal, houdt van schijnwerpers en aandacht. Je vult de kamer met een hoop energie en gezelligheid en zoekt deze vanzelfsprekend ook op. Je zegt wat je denkt, laat je niet snel weerhouden door gevoelens en gedachten en gaat risico’s en experimenten niet uit de weg. Meestal ben je competitief ingesteld.

Omdat ik me van nature verdiep in jouw persoonlijkheid, weet ik in grote lijnen hoe jij je gedraagt en beweegt. Uit ervaring en (lees)onderzoek ontdek ik dat jij van nature minder de impuls voelt om je te verdiepen in mij. Daarom een korte opsomming van hoe ik me doorgaans gedraag: Mij zie je vaak op de achtergrond, ik kan beschouwen en observeren. Ik weeg mijn antwoorden nog eens af, heb een luistertalent en door mijn afwachtende houding kom ik bescheiden over. Ik heb tijd nodig om op te laden en dat doe ik het liefst alleen.

Het duurde even, maar inmiddels laat ik steeds meer van me zien en horen. Zo ben ik vaker te zien in de media en verschijnen bijvoorbeeld boeken over mijn persoonlijkheid. Zo langzamerhand wordt er ruimte gecreëerd voor en waarde gehecht aan mijn aanwezigheid. Ik mag er zijn. Tot zover mijn ontwikkelingen.

De ontwikkelingen tussen ons lijken nog niet echt van de grond te komen. Onze onderlinge communicatie verloopt verre van soepel. Hoe ervaar jij dat? Gesprekken als deze komen meer dan eens voor:

Jij: “Zo, ik heb me dit weekend goed vermaakt in de stad. Zowel vrijdag- als zaterdagavond uit geweest. Ik heb zóveel gedronken. M’n vrienden zeiden dat ik flink dronken was. Ik heb filmpjes gezien en af en toe herinner ik me wat vlagen. Ik heb zo hard gelachen. Als ik die filmpjes weer bekijk, krijg ik zo weer de slappe lach. Je had er echt bij moeten zijn, joh!”
Ik: “Wat fijn dat je het zo naar je zin hebt gehad.”
Jij: “Ja, ik heb me echt goed vermaakt. Ben jij nog uit geweest?”
Ik: “Nee, ik…”
Jij: “Niet?! Wat heb je dan het hele weekend gedaan?”
Ik: “Ik heb met een vriend afgesproken, we hebben koffie gedronken en bijgepraat. En ’s avonds heb ik op de bank genoten van een goed boek.”
Jij: “Oh, serieus? Wat heb jij voor leven als je dat leuk vindt? Ik neem je echt een keer mee uit. Ik weet zeker dat je dat leuker vindt dan een boek lezen op de bank.”

En vervolgens praat jij verder over jouw ervaringen en ben ik de luisteraar.

In zo’n gesprek heb ik toch het gevoel dat ik mijn levensstijl moet verdedigen. Het lijkt alsof mijn interesses er niet mogen zijn en dat ik dezelfde keuzes moet maken als jij. Misschien wordt het met dit voorbeeld duidelijker:

Jij: “Zo, ik heb me dit weekend goed vermaakt in de stad. Zowel vrijdag- als zaterdagavond uit geweest. Ik heb zóveel gedronken. M’n vrienden zeiden dat ik flink dronken was. Ik heb filmpjes gezien en af en toe herinner ik me wat vlagen. Ik heb zo hard gelachen. Als ik die filmpjes weer bekijk, krijg ik zo weer de slappe lach. Je had er echt bij moeten zijn, joh!”
Ik: “Niet! Heb je dát het hele weekend gedaan? Wat voor leven heb jij?”
Jij: “Ja, ik..”
Ik: “Serieus?” Waarom ga je niet eens een goed boek lezen? Of neem eens een keer de tijd voor een goed gesprek met een vriend of familielid.”
Jij: “Uuh.. We hebben ook wel met elkaar gesproken toen we…”
Ik: “Ik heb dit weekend met een vriend koffie gedronken en bijgepraat. En ’s avonds heb ik op de bank genoten van een goed boek. Dát is pas leven. Ik kan je Amerikanah van Chimamanda Ngozi Adichie echt aanbevelen, wil je die een keer lenen?”

Jij kijkt mij glazig aan, duikt met je rechterhand in je broekzak, zegt ondertussen dat je wordt gebeld en al weglopend doe je alsof je een telefoongesprek start.

Heus, ik vermoed dat je niet bewust oordeelt over wat ik wel of niet doe. Waarschijnlijk had je, tot nu toe, geen idee wat de kracht is van zulke terloopse opmerkingen. Nu je dit wel weet, kan ik het heel erg waarderen als onze gesprekken een iets andere vorm krijgen.

‘Welke vorm dan?’, hoor ik je hardop denken. Wat vind je ervan om daarover eens van gedachten te wisselen met elkaar. Gewoon samen, jij en ik, op de bank, een dozijn chocola tussen ons in en onze handen gevouwen om een warm kopje thee. Nouja, ik geloof dat ik ook nog wel ergens een goede fles wijn heb liggen, mocht je daar toch meer zin in hebben.

Wat denk je, doen?

Warme groet,
Introverte persoonlijkheid