Meisjes met zelfvertrouwen

Ik luister al een poos naar een mannenstem. Ik hoor ze te weinig in mijn werk. Gelukkig steeds meer. De moeder van Felicia stond in het digitale dossier als contactpersoon genoteerd, maar mijn oproep naar haar werd niet beantwoord. Bij de vader van Felicia had ik meer succes.

“En hoe zou je Felicia omschrijven?”, vraag ik door het microfoontje van mijn witte oordopjes. Ik kijk door het bevuilde raam van het wijkgebouw, de zon staat al laag en een oranje gloed kleurt delen van de spreekkamer. 
“Oe, dat vind ik wel een moeilijke vraag”, zegt de vader van Felicia in alle eerlijkheid. “Ze is sportief, sociaal, behulpzaam enne… ze heeft ook een heel sterke eigen wil.”
“Ja, dat laatste las ik al in het dossier. Klopt het dat jullie daarover eerder spraken met mijn collega jeugdverpleegkundige 0-4 jaar?”
De vader van Felicia bevestigt dit en ik vraag hem hoe het lukt om met deze eigenschap om te gaan.
“Nou, ons lukt dat wel goed hoor. Alleen, we merken dat het in de omgang met haar leeftijdsgenoten soms zoeken is. Als ze speelt met andere kinderen moet het allemaal op haar manier. Ze kan dan echt bazig doen.”
Voor een moment houd ik mijn adem in en staar naar de witte muur voor me. In beslag genomen door het woord ‘bazig’ dwalen mijn gedachten af. 

Bazig
Voordat ik dieper inga op die gedachten sta ik voor de volledigheid eerst stil bij de definitie van ‘bazig’. Van Dale omschrijft bazig als ‘graag de baas spelend.’
Wanneer ik het woord bazig in het zoekveld van Google type, verschijnt Ensie als eerste hit. Op deze website staat bovenaan een definitie van Muiswerk Educatief. Dit is een ontwikkelaar en uitgever van slimme, online programma’s voor het onderwijs. Dit bedrijf definieert bazig als: ‘wie zijn wil aan anderen oplegt’. Het bedrijf duidt de definitie met de volgende voorbeeldzin: ‘de vrouw van James is nogal bazig, hij heeft weinig te vertellen.’ Opmerkelijk dat er voor deze voorbeeldzin een vrouw wordt aangehaald. Dat zou nog toeval kunnen zijn. 

Als klein meisje kreeg ik het woord ook te horen. Tijdens mijn basisschoolloopbaan volgde ik iedere donderdagmiddag toneellessen. De groep bestond uit zo’n twaalf kinderen. De toneeldocent liet ons regelmatig in kleine groepjes iets voorbereiden wat we later in de middag lieten zien aan de hele groep. 
Ik was jong, creatief en talentvol. Ik barste van de ideeën en zag meteen voor me hoe het toneelspel eruit zou gaan zien. Het lukte mij vaak om anderen mee te nemen in mijn enthousiasme. Zo ging het ongeveer ook op die ene donderdagmiddag. 

Na een plenaire start gingen we uiteen in groepjes van vier. Twee groepjes oefenden op de gang. Mijn groepje bleef in het lokaal. We stonden in een cirkel, ongeveer twee meter van de docent en ik stond met mijn rug naar haar toe. De docent zat voor de grote stereo-installatie en het lokaal vulde zich met harde klanken. Natuurlijk deelde ik meteen mijn ideeën in het groepje.
Een ander meisje zag er nog weinig in, dus ik probeerde haar te overtuigen – mijn woorden bijgezet met gebaren en een harder stemgeluid. Op dat moment draaide de docent de muziek uit en riep: “Rosan, doe eens niet zo bazig”. Ik draaide mij om en keek in haar grote, blauwe ogen met daarboven gefronste wenkbrauwen.
Ze liet een dramatische stilte vallen, zoals dat hoort binnen het theater.
Haar lichaamshouding maakte zoveel indruk dat ik me niet kan herinneren wat ze verder zei: ze bracht haar armen omhoog en haar handen bewogen mee met haar woorden. Toen ze was uitgesproken, klapten haar handpalmen op haar brede bovenbenen en keek ze mij even aan voordat ze hard het lokaal uit liep.
Ik voelde een grote brok in mijn keel die ik steeds probeerde weg te slikken. Zelden kwamen er zo weinig woorden uit mijn mond als tijdens die les. Vanaf toen bewoog ik mij meer op de achtergrond.

In haar UN Speech HeForShe zegt Emma Watson dat haar iets soortgelijks overkwam op achtjarige leeftijd: “I started questioning gender-based assumptions when at eight I was confused at being called “bossy,” because I wanted to direct the plays we would put on for our parents—but the boys were not.”

Zeg eens eerlijk. Heb jij wel eens gehoord dat een jongen bazig werd genoemd? Of heb je zelf wel eens gezegd dat een jongen bazig is?

Ban Bossy
In Amerika merken ze al langer dat meisjes het slachtoffer zijn van het woord ‘bossy’. Wanneer een jongen bijvoorbeeld assertief is, voor zichzelf opkomt, ziet men hem als een leider. Maar als een meisje hetzelfde doet, bestaat er een grote kans dat omstanders haar als bazig zien en dit ook uitspreken. Het woord beïnvloedt meisjes op een negatieve manier: ze spreken zich minder uit, laten zich minder zien, voelen minder zelfvertrouwen en nemen minder de leiding dan jongens. Een trend die zich voortzet in hun volwassen leven. 

In 2014 lanceerde Sheryl Sandberg daarom de campagne ‘Ban Bossy’, vrij vertaald ‘verbied bazig’. En dat het hard nodig is, laten deze feiten zien:

1. Het gat tussen het zelfvertrouwen van meisjes en jongens start al vroeg. In de periode van de basisschool en de middelbare school daalt het zelfvertrouwen van meisjes 3,5 keer meer dan het zelfvertrouwen van jongens.
2. Meisjes maken zich twee keer zoveel zorgen als jongens dat een leiderschapsrol hen bazig maakt. 
3. Op school krijgen meisjes minder spreektijd dan jongens. Ze krijgen minder vaak de beurt en worden vaker onderbroken. 

Amerikaanse beroemdheden zoals Jane Lynch, Condoleezza Rice en Beyoncé zetten zich in voor de campagne. Ze willen met deze video meisjes aanzetten om een leidersrol aan te nemen. “Laat je niet bazig noemen”, klinkt er onder andere in de video. Beyoncé sluit af met de zin: “I’m not bossy, I’m the boss.”

Gender gap
We hebben duidelijk veel vooroordelen en stereotype ideeën over hoe een meisje zou moeten zijn en hoe ze zich moet gedragen. Veel meisjes worden in hun jonge jaren al op deze manier gevormd. Volgens Sandberg van Ban Bossy zien we de gevolgen terug in de prestaties en gedragingen op de basisschool: “In de bovenbouw zijn er meer jongens dan meisjes die de leidersrol op zich nemen. Als je vraagt aan meisjes waarom ze dat niet willen, geven ze aan dat ze niet uitgemaakt willen worden voor bazig en niet onaardig gevonden willen worden.”

En ook later in het werkveld zien we dit verschil terug. Het aantal vrouwen in topfuncties – waar leiding geven een van de kerntaken is – neemt wel toe, maar dat gaat erg langzaam. In 2004 was 7,4 procent van de leden van de raad van bestuur van grote bedrijven een vrouw. In 2019 was dat 12,4 procent. In de raden van toezicht steeg het aandeel vrouwen van bijna 10 naar 20 procent. 
Toch heeft tweederde van de bedrijven geen enkele vrouw in de hoogste bestuurslaag. 

De vooroordelen over meisjes en vrouwen zorgen dus voor een gender gap, beginnend op de basisschool tot aan de hogere leidinggevende managementposities en politieke functies. En ook als zij deze hogere functies bekleden, gaat dat niet van een leien dakje. Hierover meer in mijn volgende blog (cliffhanger). Het goede nieuws is dat wij de invloed hebben om dit voor meisjes en vrouwen makkelijker te maken. Hieronder doe ik een paar suggesties:

1. Ben je bewust van je stereotype verwachtingen over hoe een meisje of vrouw zou moeten zijn of zich zou moeten gedragen.
2. Koppel kwaliteiten en eigenschappen los van gender. Zou je hetzelfde zeggen over een jongen? Of als het om een jongen gaat, zou je hetzelfde zeggen over een meisje?
3. Stimuleer je dochter, kleindochter, zusje, nichtje of de meisjes die je lesgeeft om de leiding te nemen. 
4. Ga het gesprek aan met kinderen of volwassenen als je hoort dat een meisje in je omgeving bazig wordt genoemd of niet aardig wordt gevonden door haar natuurlijke leidersrol.
5. Laat meisjes altijd uitpraten. 
6. Als een meisje haar vinger opsteekt, geef haar dan de gelegenheid om haar verhaal te doen. Dit kan in de klas zijn, maar ook thuis, op de sportvereniging, op toneel-, zang- en muziekles. 

Zelfvertrouwen
Terug naar het telefoongesprek met de vader van Felicia. We waren gebleven bij het woord ‘bazig’. 
“Dus Felicia heeft veel zelfvertrouwen?”, vraag ik aan hem. Ik hoor dat ik het woord zelfvertrouwen wat harder uitspreek dan mijn bedoeling is. 
De vader van Felicia lacht hard. “Ja, daarin heb je helemaal gelijk. Ze lijkt ook erg op mijn vrouw. Zij is manager in een groot bedrijf en stuurt veel mensen aan. We denken dat Felicia haar moeder achterna gaat.”

Vaders met een postnatale depressie

Omringd door tientallen medestudenten loop ik door de gang naar de grote collegezaal. Bij de ingang blijf ik een moment lang staan. Veel studenten zitten al, hun laptop voor zich op een inklapbaar tafeltje, scrollend door hun tijdlijn op – toen nog – Facebook. Sommigen praten met elkaar, of roepen. Gezichten staan afwisselend vrolijk, gefronst en zoekend. Mijn blik dwaalt af naar beneden, waar ik de docent achter een lessenaar zie staan, met daarop zijn laptop. Als hij een zwart snoertje in zijn laptop steekt, zie ik het grote, witte scherm vollopen met kleuren. Ik kan het bijna lezen: “Moeder en …”

‘Hier, Rosan, hier!’, klinkt een hoge, vrolijke stem. Haar lange, slanke arm onder een vijftal pezige vingers is onmiskenbaar. Ik zie haar zitten in het midden van de zaal. Ze wijst met haar wijsvinger naar de lege stoel naast haar. Ik observeer de rij waar ze zit. Op alle stoelen in de rij zitten al studiegenoten. Ik zucht, sta voor de eerst zittende in de rij en vraag of ik erlangs mag. Een collegezaal heeft wel iets weg van een kerk: één voor één staan de studenten op en schuiven hun tassen weg terwijl ik me door de smalle doorgang worstel. 

Alle 200 studenten zitten. We beginnen. 

Ik hoor de docent, meneer Watson, vertellen over een postnatale depressie bij vrouwen.
“Vragen, zijn er vragen?”, hij kijkt in het rond. Een aantal studenten steekt hun hand op, wacht hun beurt af en stelt hun vraag. Net als meneer Watson op zijn toetsenbord het rechterpijltje indrukt om naar de volgende dia te gaan, steek ik mijn arm in de lucht. 
“O ja, Rosan?”
“Kunnen mannen ook een postnatale depressie krijgen?”
Een moment lang hoor ik niets. Vervolgens hoor ik gelach van zo’n 199 medestudenten. Ook meneer Watson zie ik glimlachen. Ik draai mijn hoofd verbaasd om mij heen. Ik hoor veel rumoer en meneer Watson moet z’n best doen om de collegezaal weer stil te krijgen.
Hij vertelt dat postnatale depressies vooral worden veroorzaakt door veranderende hormonen in het lichaam van de vrouw tijdens de zwangerschap en na de bevalling. Bij mannen is daarvan geen sprake, omdat zij geen kind dragen. Wel vertelt hij dat er, voor zover hij weet, geen onderzoek naar gedaan is en dus geen gegevens bekend zijn over vaders met een postnatale depressie.

Deze scène stamt uit 2015 en ik zat op dat moment in mijn tweede studiejaar. Wat meneer Watson nog meer over postnatale depressies bij mannen vertelde, weet ik niet meer. Ik durf zijn uitspraak daarom ook niet letterlijk te citeren. 

Twee kanten op
Ik was deze scène zo goed als vergeten totdat ik onlangs een scholing volgde over (v)echtscheidingen tussen ouders en de invloed hiervan op kinderen. Tijdens een presentatie vertelde een socioloog dat mannen ook aan postnatale depressies kunnen lijden. Vijf jaar na mijn vraag in de collegezaal komt het onderwerp opnieuw op mijn pad en besluit ik er toch eens een blog aan te wijden. Want ook dit onderwerp zegt iets over emancipatie. 

Naar mijn idee gaat emanciperen beide kanten op, richting vrouwen en richting mannen. Het doel is alle stereotypes weg te nemen zodat mannen en vrouwen gelijk zijn aan elkaar en gelijk worden behandeld. Zowel vrouwen als mannen halen hier voordeel uit. Toegegeven, er is véél meer werk te verrichten rondom ongelijkheid voor vrouwen dan ongelijkheid voor mannen. Toch halen ook mannen voordeel uit emancipatie. Neem het voorbeeld van huiselijk geweld. Er is nauwelijks een hulpverlener die gelooft dat de vrouw haar mannelijke partner fysiek of psychisch mishandeld. Deze mannen zijn radeloos omdat a) niemand hen gelooft, b) ze geen hulp krijgen en c) schaamte voelen omdat ‘zij als man door een vrouw worden mishandeld’. En als de man dan hulp zoekt, ontkent de vrouw en beschuldigt zij haar partner van huiselijk geweld. Waar kennen we dit voorbeeld van? Een ander voorbeeld van ongelijkheid voor mannen is de postnatale depressie bij mannen.

De cijfers
Over vaders met een postnatale depressie lees ik verschillende artikelen op betrouwbare websites. Het oudste artikel dat ik vond, werd door Scientias gepubliceerd in februari 2017. Zo’n twee jaar later na mijn vraag in de collegebanken. 

Scientias schrijft over een onderzoek onder 3500 Nieuw-Zeelandse mannen. Onderzoekers volgden deze mannen in het derde trimester van de zwangerschap en negen maanden na de geboorte. De resultaten:

  • Eén op de 25 mannen vertoont symptomen van een postnatale depressie. 
  • Eén op de 50 mannen vertoont symptomen die passen bij een prenatale depressie.

EOS Wetenschap schrijft in 2018 dat verschillende studies in andere landen aantonen dat 4-5% van de vaders zich depressief voelt na de geboorte van hun kind. Sommige studies benoemen zelfs 10%.

Ter vergelijking: 10-15% van de vrouwen krijgt een pre- of postnatale depressie.

Diagnose en hulp?
Met deze onderzoeken zou je denken dat de maatschappij inderdaad iets geëmancipeerder wordt, maar daar houdt het dan ook zo’n beetje mee op. Voor de diagnose van een depressie wordt bij mannen dezelfde kenmerken aangehouden als bij vrouwen. In de praktijk blijkt dat een depressie bij mannen zich toch vaak anders uit dan bij vrouwen.

Kenmerken:

  • Mannen geven minder snel aan dat zij somber of verdrietig zijn. Uit een Zweeds onderzoek blijkt dat 83% van de mannen niet deelt dat de komst van hun baby hen tegenvalt. Dit tegenover 20-50% van de vrouwen.
  • Mannen merken eerder kenmerken als frustratie, boosheid of prikkelbaarheid. Of ze voelen zich ‘niet lekker in hun vel’.
  • Mannen zijn geneigd om negatieve gevoelens te relativeren of te onderdrukken door te vluchten in werk, sport of middelengebruik (alcohol of drugs). 
  • Na de zwangerschap richten vaders zich vooral op het welzijn van moeder en kind en cijferen ze zichzelf weg. Psychiater Mijke Lambregtse-van den Berg ziet een piek in postnatale depressies bij mannen rond een halfjaar na de geboorte: dan is de vrouw over het algemeen herstelt en komt de man toe aan zijn eigen verwerking.

Uitlokkende factoren:

  • Een eerdere depressie
  • Verslaving(sgevoeligheid)
  • Een depressie bij de partner
  • Relatieproblemen 
  • Afnemen van intimiteit 
  • De rolverandering
  • Werkloos zijn of een dalend inkomen
  • Grote verantwoordelijkheid voelen voor het kind

Complicaties:

  • Vaders herkennen vaak zelf de verschijnselen niet goed en vragen minder snel om hulp.
  • Hulpverleners herkennen de verschijnselen minder snel bij mannen, omdat er onvoldoende aandacht voor en kennis over is.
  • Er is relatief weinig aandacht voor de (aanstaande) vader tijdens en na de zwangerschap, omdat de zorg traditioneel meer gericht is op de moeder en het kind. 
  • Als gevolg van het punt hierboven worden mannen doorgaans minder voorbereid op hun vaderschap.
  • Vaders worden vaak nog steeds als ‘minder’ gezien dan vrouwen in de zorg voor hun kind en dat kan leiden tot faalangst en onzekerheid bij de vader.

Deze complicaties lijken een gevolg van traditionele, stereotype normen. Het is een combinatie tussen de traditionele rol van de man enerzijds, en de traditionele rol van de hulp- en zorgverlener anderzijds.

Naast de omgevingsfactoren speelt mogelijk ook een biologisch component mee. De hormoonspiegel verandert bij mannen tijdens de zwangerschap en na de bevalling. Testosteron daalt en prolactine en oxytocine nemen toe. Dit speelt vooral bij vaders die zeer betrokken zijn bij de zwangerschap en veel tijd doorbrengen met hun kind(eren).
Toch is het effect van een dalend testosterongehalte niet heel groot, vertelt Onno Meijer, neuroendocrinoloog aan de Universiteit Leiden. Bij mannen daalt de hoeveelheid testosteron van ongeveer 50 pg/ml (picogram per milliliter) naar 48 pg/ml. Bij vrouwen stijgt het testosterongehalte tijdens de zwangerschap van 10 naar 52(!) pg/ml. De kans dat zo’n kleine hormoonschommeling bij een man iets doet met zijn gedrag of zijn geestelijke gezondheid acht Meijer heel klein. Het lijkt er dus op dat omgevingsfactoren en de voorgeschiedenis van de man en zijn partner grotere risicofactoren zijn.

Psychiater Lambregtse-van den Berg vindt dat de screening op depressies bij jonge vaders beter moet. Natuurlijk omdat vaders hier zelf baat bij hebben, maar ook vanwege het welzijn van het kind. Een depressie bij een vader kan een direct en indirect effect hebben op de ontwikkeling van zijn kind.

Invloed op kinderen
Het blijkt dat depressieve vaders een twee keer zo grote kans hebben op een huilbaby, vertelt psychiater Lambregtse-van den Berg. Voldoende geknuffeld worden en oprechte aandacht krijgen van beide ouders is heel belangrijk voor een goede ontwikkeling van een kind. Kinderen die dit niet goed ontvangen van hun ouder(s), kunnen cognitief, emotioneel en motorisch een achterstand oplopen.

Een onderzoek van de Britse kinderpsycholoog Paul Ramchandani bevestigt dit. Hij onderzocht de invloed van depressieve vaders op gezinnen. Het blijkt dat kinderen meer kans hebben op leer- en gedragsproblemen. Ook hebben zij een vergrote kans om later zelf een depressie te krijgen. Het korte lontje van depressieve vaders lijkt hierin een belangrijke rol te spelen.

Werk aan de winkel!
Het is duidelijk dat vaders een pre- en postnatale depressie kunnen krijgen. Ook is duidelijk dat er nog een heleboel werk aan de winkel is om deze depressie te signaleren, en hulp te bieden. Of liever nog: te voorkomen. Hieronder een aantal aanbevelingen op rij voor vaders, professionals en de overheid.

Voor vaders:

  • Volg een vaderschapscursus. David Borman werkt als verloskundige en organiseert deze avonden. In een cursus bespreekt hij:
    – De zwangerschap: hoe ga ik om met hormonen?
    – De bevalling: hoe kun je de pijn verlichten?
    – De kraamperiode: wat is jouw rol als je partner borstvoeding geeft?
    – Het aanstaande vaderschap: wat verandert er in je relatie?
  • Sluit je aan bij praatgroepen voor nieuwe vaders of organiseer ze zelf!
  • Vaders mogen zich meer richten naar het ongeboren kind. Pedagoog Marian Bakermans-Kranenburg van de VU in Amsterdam geeft vaders in een onderzoeksproject de kans om te communiceren met hun nog ongeboren kind: buikwand masseren, zingen of voorlezen. Bakermans vindt de reactie van het ongeboren kind heel verrassend.
  • Leer gevoelens herkennen en leer ze te uiten naar je sociale netwerk.
  • Voed je kinderen geëmancipeerd op. In de opvoeding leg je als ouder de basis voor je kind. Als alle ouders zowel hun dochters als zoons leren wat gevoelens zijn, leren dat ze er mogen zijn en leren om erover te praten, behalen we al veel winst! Laat ze hetzelfde opgroeien, geef ze dezelfde liefde en dezelfde kennis. Dat verdienen ze.
  • Leef zelf geëmancipeerd zodat je het goede voorbeeld geeft aan je kind. Kinderen doen wat jij doet, niet wat je zegt dat zij moeten doen.

Voor professionals

  • Vernieuw ouderschapscursussen zodat de aandacht even groot is voor de man als de vrouw.
  • Betrek vaders meer bij het (hele) proces.
  • Veel websites zijn nog te veel gericht op de moeder en geschreven in de jij-vorm. Herschrijf deze websites door in de jullie-vorm te schrijven.
  • Op het consultatiebureau: vraag actief in het 6- en 8-maandenconsult naar de geestelijke gezondheid van beide ouders, en meer specifiek naar die van de vader. Of gebruik een screeningsinstrument. Voorkom hierbij handelingsverlegenheid. 
  • Bijscholing voor verloskundigen, gynaecologen, jeugdartsen, jeugdverpleegkundigen en gezinswerkers: Ken en herken de signalen van een postnatale depressie bij een vader en weet hoe je deze moet bespreken.

Voor de overheid

  • Nog langer geboorteverlof voor vaders, zodat hij en zijn partner meer tijd hebben om te wennen aan de nieuwe situatie en de veranderende rollen. Ook kunnen zij hierdoor gemakkelijker een nieuwe balans vinden tussen werk en privé. Vaders hebben nu recht op vijf weken geboorteverlof.

Bronnen
De Volkskrant
Scientias
EOS Wetenschap
RTL Nieuws
GGZ nieuws
Nemo Kennislink
Landelijk Kenniscentrum Psychiatrie en Zwangerschap
Rijksoverheid
Vadervuur
Vadercursus