In je vel

Niet lekker in je vel voelen. Het onaangename gevoel wordt niet altijd als zodanig herkent of benoemd. Het is iets ongrijpbaars wat het lichaam en de geest in z’n greep houdt, voortsuddert in ons onderbewuste waar het groeiend en knagend zijn weg bewandeld en ons zijn beïnvloed.
Totdat het gevoel om onverklaarbare reden oplost, is opgeheven, wegebt zoals de golven in de zee dat kunnen. Vaak wordt als verklaring gegeven dat we beter voor onszelf zijn gaat zorgen: een lange nacht slaap, een verdiepend gesprek met een vriend(in), gedachten die zich richten op iets wat zich aandient aan de horizon, een mooie wandeling in de natuur, een meditatie of een combinatie van factoren. Een verklaring is er niet altijd, en wanneer die er wel lijkt te zijn, kunnen we dat vaak niet met zekerheid zeggen.
Soms wordt dat ‘niet lekker in je vel-gevoel’ pas duidelijk of bevestigd, wanneer het gevoel net is vertrokken. Een ander zal zich meer bewust zijn geweest van die beklemming, wat de opluchting des te groter maakt als blijdschap en tevredenheid terugkeren. Hoewel niet iedereen het zal benoemen of direct herkent, zal ieder menselijk wezen er, in meer of mindere mate, onderhevig aan zijn.

Zelfs bij mensen van eind tachtig en zakken vol levenservaring met zich meedragen met oorlog, honger, verlies, geloof, schaarste, armoede, hoop, eenvoud en onvoorwaardelijke liefde voor de partner en later voor de kinderen, zoals opa.
Opa, een zelfbewuste, Rooms-Katholieke man, verloor onlangs zijn vrouw. Iemand naar wie meer dan zestig jaar lang zijn hart uit ging, met wie hij zijn hart deelde, aan openstelde. Aan wie hij zijn hart gaf. Opa hield haar hand vast, biddend, terwijl zij haar laatste adem uitblies. Er zijn pas twee maanden verstreken, het verlies is vers.

Tranen om het verlies van zijn vrouw heeft hij niet, want naar eigen zeggen had hij zijn vrouw vijftien jaar geleden al verloren aan dementie. Hoewel het nooit als zodanig werd benoemd, zat opa toch niet lekker in z’n vel. Het was te voelen aan de sfeer in het huis, te zien aan de stapels post en kranten die steeds groter werden en aan opa’s lichamelijke conditie: ingevallen wangen, de kilo’s die niet aan zijn lichaam bleven kleven blijven, gordelroos die zijn nek teisterde en de jeuk die hem ’s nachts uit zijn slaap hield, jicht verwelkomde zijn voeten en bloedneuzen kwamen spontaan op.
Dochters liepen in en uit, aanschouwden hun kwetsbare vader, uitte hun zorgen in gebed, met elkaar en met hun vader. Bij het aanhoren van die zorgen, haalde hij zijn schouders op en relativeerde ze weg.

In zijn onderbewuste zocht opa naar manieren om het proces, in hoeverre dat te beïnvloeden was, te versnellen. Voor zijn fysieke gezondheid maakte hij wandelingen die steeds iets langer werden, hij kookte uitgebreider voor zichzelf en lette vooral op de hoeveelheid eiwitten want de verpleegkundigen in het ziekenhuis hadden hem daarover voorlichting gegeven. Er werd voor een dikker en langer dekbed gezorgd, de gordelroos liet ‘m ’s nachts met rust en de bloedneuzen bleven uit. Hij maakte voor zijn doen uitzonderlijk lange nachten van acht, negen uur. Het zou niet ondenkbaar zijn dat opa heeft gebeden voor zijn welzijn, nadat hij in gebed eerst stilstond bij alle anderen.
Het duurde en geduldig als hij is, gunde hij het de tijd om het gevoel weer over te laten waaien.

En daar, op die ijskoude zaterdagochtend in maart, was het zware gevoel met zijn laatste dromen vervlogen en maakte het die ochtend plaats voor een lach, voor vragen voor een luchtig grapje over en weer. Er was interesse voor een ander, de krant, de politiek, het verleden en de toekomst.
Opa zat op zijn praatstoel, opa zat weer lekker in zijn vel. Hij benoemde het zelf, met die woorden en de opluchting was van zijn gezicht af te lezen.